Lam Gods en Rechtvaardige Rechters

RENAISSANCE (cursus Catherine Quatacker)

ALGEMEEN:

POLYFONIE

Algemeen historisch en cultureel kader: zie Yves Knockaert: "Muziekgeschiedenis" vanaf pagina 70.

Datering:

15de eeuw: vroeg renaissance
16de eeuw: klassieke renaissance, met een maniŰristische periode aan het einde van de eeuw.

Waar:
15de eeuw: de componisten uit de "Nederlanden" overheersen de muziek volledig in de 15de eeuw.
16de eeuw: de Nederlanders blijven toonaangevend, maar naast de Nederlanden ontwikkelen ook andere gebieden een eigen muziekcultuur, met eigen componisten, kenmerken en genres:

- Romeinse School
- Venetiaanse School
- Franse School
- Spaanse School
- Duitse School
- Engelse School: de Virginalisten.

Deze nieuwe scholen zullen in de 16de eeuw de barok voorbereiden, terwijl de "Nederlanders" eerder conscensusfiguren worden.
Hiernaast ontwikkelt de nieuwe protestantse godsdienst haar eigen muziekgenres:

    anglicanen: the anthem
    protestanten: het koraal
    calvinisten: de psalm.


    DE VIJFTIENDE EEUW OF DE VROEG-RENAISSANCE

    Naam: de vijftiende eeuw wordt in ItaliŰ het quatrocento genoemd.
    De naam vroeg-renaissance wijst op een overgangsperiode (vooral eerste helft van de eeuw) waarin bepaalde middeleeuwse technieken, zoals hoquetus, Dufay-cadens (=Machaut-cadens en Landini-cadens: VII VI I ), modaal toonsysteem, isoritmie, lineaire polyfonie en driestemmigheid nog voorkomen. Deze archa´sche kenmerken worden geleidelijk ingeruild voor typisch renaissance karakteristieken.

    Waar en wie: alhoewel de muziek gedomineerd wordt door de Franco Vlamingen (=Fiaminghi, leden van de Bourgondische School of Nederlanders)worden deze componisten aangesteld over geheel Europa (hun aanwezigheid aan een hof verleent luister aan het rijk en zijn machthebbers), waar zij de autochtone muzikanten zullen be´nvloeden, om op hun beurt ook inheemse invloeden te ondergaan.
    De "Nederlanders" zijn onder te brengen in zes generaties die de vijftiende en de zestiende eeuw overspannen.

    1 Voorloper:

    John Dunstable (ong. 1380-1453)
    Komt naar Frankrijk als hofcomponist van de Hertog van Bedford, regent van Frankrijk vanaf 1422 (honderdjarige oorlog).

    Historisch belang:
    - wederzijdse be´nvloeding met inheemse componisten oa. met Guillaume Dufay, die kennis maakt met de Engelse gymeltechniek- en faux-bourdontechniek. Dunstable gebruikt zelf de isoritmische techniek.
    - in sommige werken geen cantus firmus, dus vrij contrapunt.
    - is zich bewust van de klassieke harmonisatie
    - heeft zin voor een evenwichtige structuur in zijn composities.

    2 Generaties:

    Generatie 1:
    - Guillaume Dufay: (ongeveer 1400-1474)
    - Gilles Binchois: (ongeveer 1400-1460)

    Generatie 2:

    - Johannes Ockeghem: (ongeveer 1410-1497)
    - Antoine Busnois;(+1492)

    Generatie 3:

    - Josquin Desprez: (ongeveer 1440-1521)
    - Jacob Obrecht (ongeveer 1450-1505)
    - Heinrich Isaac: (1450-1517)

    Generaties 4 5 en 6: zie hoog renaissance
    Niet handelde componisten: zie Knockaert pag. 99.

    3 Genres:

    3.1 Naar functie:

    -ook reeds in de vijftiende eeuw wordt de profane muziek steeds belangrijker
    -in het begin van de eeuw worden meerstemmige troubadoursgenres nog beoefend. In de loop van de eeuw worden zij vervangen door andere profane genres

    3.2 Naar bezetting:

    - de muziek blijft hoofdzakelijk vocaal en in ieder geval "vocaal gedacht". Vocale partijen kunnen evenwel ook instrumentaal uitgevoerd worden
    - de instrumentale muziek nog steeds instrumentaal uitgevoerde vocale muziek. Toch krijgt men meer oog voor de mogelijkheden van elk instrument.

    Voor zelfstandige instrumentale muziek moeten we wachten tot in de 16de eeuw:

    - het stemmenaantal neemt toe: van drie- en vierstemmigheid in het begin van de eeuw, tot vijf- en zesstemmigheid bij Josquin - binnen de compositie kan het stemmenaantal ook afwisselen: in een vierstemmige compositie kunnen allerlei combinaties van 4, 3 of 2 stemmen voorkomen.

    3.3 Naar stemvoering:

    - de polyfonie blijft de meest beoefende stemvoering. Het gebruik van een cantus firmus in mis en motet blijven algemeen
    - door de superius of cantus meer aandacht te geven groeit de balladestijl naar de homofonie. Bij een stuk in balladestijl opteert men vaak voor een vocale bovenstem met instrumentale onderstemmen
    - ook homoritmie wordt gebruikt
    - op elk moment zal de componist rekening houden met de vertikale samenklank: dit noemt men harmonische polyfonie. Dit in contrast met de middeleeuwse polyfonie die lineair is
    - vaak gebruikt men de gekende soorten stemvoering afwisselend om structuur in het werk te brengen of ten dienste van de tekstexpressie

    3.3.1 Gebruikte polyfone technieken:

    - de canontechniek:

    soorten:

    - de canon in unisono: antecedent en consequent zijn identiek aan elkaar, het consequent zet later in dan het antecedent
    - kreeftcanon
    - canon in omkering: of spiegelcanon
    - proportiecanon: soorten: canons in verbreding of augmentatie; canons in verenging of diminutie
    - canon met transposities: de cons. Zijn telkens in een bepaald interval getransponeerd
    - cirkelcanon: de cons. Zijn telkens een kwint getransponeerd: de canon doorloopt dus de kwintencirkel
    - combinatiecanon: combinaties van verscheidene canontechnieken
    - dubbelcanon: twee canons lopen gelijktijdig
    - raadselcanon of rebuscanon: de uitvoering van het cons. Wordt aangegeven met een cryptische tekstaanduiding: bv. "Noctem in diem vertere"(de nacht in dag veranderen = de zwarte noten in holle noten veranderen. Dit canontype is eigen aan de "musica reservata" = muziek voor kenners, een muziekstroming die voorkomt vanaf Josquin.
    - de imitatie: een minder strikte vorm van canon

    Terug naar pagina 1